Last modified on 9 April 2015, at 11:55

aanblijven

DutchEdit

EtymologyEdit

From aan- +‎ blijven.

PronunciationEdit

Hyphenation: aan‧blij‧ven

VerbEdit

aanblijven (past singular bleef aan, past participle aangebleven)

  1. to remain in office

ConjugationEdit

AnagramsEdit