Home
Random
Watchlist
Uploads
Settings
Log in
aanhoren
Dutch
Etymology
From
aan
+
horen
Verb
aanhoren
to
listen
carefully to, to
heed
to
sound
badly
Conjugation
Conjugation of
aanhoren
(weak, separable)
infinitive
aanhoren
main clause
subordinate clause
present tense
past tense
present tense
past tense
1st person
singular
hoor aan
hoorde aan
aanhoor
aanhoorde
2nd person
singular
hoort aan
hoorde aan
aanhoort
aanhoorde
3rd person
singular
hoort aan
hoorde aan
aanhoort
aanhoorde
plural
horen aan
hoorden aan
aanhoren
aanhoorden
subjunctive
sing.
1
hore aan
hoorde aan
aanhore
aanhoorde
subjunctive
plur.
1
horen aan
hoorden aan
aanhoren
aanhoorden
imperative
sing.
hoor aan
imperative
plur.
1
hoort aan
participles
aanhorend
(
hebben
)
aangehoord
1)
Archaic
.
Anagrams
horen aan
↑Jump back a section
Read in another language
This page is available in 4 languages
Français
Malagasy
Nederlands
中文
Last modified on 7 March 2013, at 14:44