Home
Random
Watchlist
Uploads
Settings
Log in
aanleren
Dutch
Etymology
aan
+
leren
Verb
aanleren
(
Netherlands
)
to
learn
(
Belgium
)
to
teach
Conjugation
Conjugation of
aanleren
(weak, separable)
infinitive
aanleren
main clause
subordinate clause
present tense
past tense
present tense
past tense
1st person
singular
leer aan
leerde aan
aanleer
aanleerde
2nd person
singular
leert aan
leerde aan
aanleert
aanleerde
3rd person
singular
leert aan
leerde aan
aanleert
aanleerde
plural
leren aan
leerden aan
aanleren
aanleerden
subjunctive
sing.
1
lere aan
leerde aan
aanlere
aanleerde
subjunctive
plur.
1
leren aan
leerden aan
aanleren
aanleerden
imperative
sing.
leer aan
imperative
plur.
1
leert aan
participles
aanlerend
(
hebben
)
aangeleerd
1)
Archaic
.
Anagrams
leren aan
↑Jump back a section
Read in another language
This page is available in 9 languages
Français
Ido
Lietuvių
Limburgs
Malagasy
Монгол
Nederlands
Tagalog
中文
Last modified on 7 March 2013, at 14:41