Home
Random
Watchlist
Uploads
Settings
Log in
aanleveren
Dutch
Etymology
aan
+
leveren
Verb
aanleveren
to
supply
Conjugation
Conjugation of
aanleveren
(weak, separable)
infinitive
aanleveren
main clause
subordinate clause
present tense
past tense
present tense
past tense
1st person
singular
lever aan
leverde aan
aanlever
aanleverde
2nd person
singular
levert aan
leverde aan
aanlevert
aanleverde
3rd person
singular
levert aan
leverde aan
aanlevert
aanleverde
plural
leveren aan
leverden aan
aanleveren
aanleverden
subjunctive
sing.
1
levere aan
leverde aan
aanlevere
aanleverde
subjunctive
plur.
1
leveren aan
leverden aan
aanleveren
aanleverden
imperative
sing.
lever aan
imperative
plur.
1
levert aan
participles
aanleverend
(
hebben
)
aangeleverd
1)
Archaic
.
↑Jump back a section
Read in another language
This page is available in 2 languages
Nederlands
Polski
Last modified on 25 April 2013, at 06:56