Home
Random
Watchlist
Uploads
Settings
Log in
aanmeren
Dutch
Pronunciation
Hyphenation:
aan‧me‧ren
Verb
aanmeren
to
moor
,
berth
Conjugation
Conjugation of
aanmeren
(weak, separable)
infinitive
aanmeren
main clause
subordinate clause
present tense
past tense
present tense
past tense
1st person
singular
meer aan
meerde aan
aanmeer
aanmeerde
2nd person
singular
meert aan
meerde aan
aanmeert
aanmeerde
3rd person
singular
meert aan
meerde aan
aanmeert
aanmeerde
plural
meren aan
meerden aan
aanmeren
aanmeerden
subjunctive
sing.
1
mere aan
meerde aan
aanmere
aanmeerde
subjunctive
plur.
1
meren aan
meerden aan
aanmeren
aanmeerden
imperative
sing.
meer aan
imperative
plur.
1
meert aan
participles
aanmerend
(
hebben
)
aangemeerd
1)
Archaic
.
Anagrams
aannemer
,
meren aan
↑Jump back a section
Read in another language
This page is available in 1 language
Nederlands
Last modified on 7 March 2013, at 14:44