From afstraffen (to punish (severely)) +‎ -ing (-ing, -ion, -ment).


afstraffing f (plural afstraffingen, diminutive afstraffinkje n)

  1. (literally) A severe punishment
    Na die afstraffing kon hij een week niet meer zitten
    After that harsh punishment he couldn't sit for a week
  2. A memorable lesson
    Die afstraffing zullen ze niet gauw vergeten!
    They won't forgot that lesson in a long time!
  3. A painful, embarrassing failure or defeat
    Na de vierde afstraffing keerden zelfs hun fans zich tegen de ploeg
    After the fourth mortal loss even their fans turned on the team


Related termsEdit

  • afranseling
  • aftuigen (verb)
  • bestraffing
  • strafbaar (adjective)
Last modified on 27 January 2014, at 02:53