Last modified on 27 March 2014, at 02:51

bonken

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

bonken (past singular bonkte, past participle gebonkt)

  1. (tegen) to bang (against), to smash (against)
    Ze bonkte als een zak aardappelen tegen het been van de reus -- She banged against the giant's leg like a sack of potatos (from de Grote Vriendelijk Reus).

ConjugationEdit