DutchEdit

PronunciationEdit

NounEdit

faal c (plural falen, diminutive faaltje n)

  1. failure, mistake, blunder
    • 2010, retorbrapi, Nieuwe OS X (faal)
      Al met al een grote faal dus. Nu hebben ze wel gezegd in de loop van het jaar nog nieuwe features aan te kondigen, dus het is voor een deel nog even afwachten.
      All in all a big failure. They did say new features would be announced later on in the year, though, so partially we still have to wait for a while.

Derived termsEdit

InterjectionEdit

faal

  1. fail

VerbEdit

faal

  1. first-person singular present indicative of falen
  2. imperative of falen
Last modified on 27 March 2014, at 21:40