kraakbeenvis

DutchEdit

EtymologyEdit

Germanic: kraakbeen (cartilage) +‎ vis (fish)

NounEdit

kraakbeenvis m (plural kraakbeenvissen, diminutive kraakbeenvisje n)

  1. (zoology) An elasmobranch

AntonymsEdit

Related termsEdit

  • kraakbeenachtig (adjective)
  • kraakstem m, f
  • stuitbeen n
  • visvijver n
Last modified on 30 January 2014, at 00:03