Last modified on 23 April 2014, at 16:46

nors

DutchEdit

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

nors (comparative norser, superlative meest nors or norst)

  1. surly
    Als ik door de stad loop, vraag ik me vaak af: waarom zijn alle mensen, zo nors en zo kortaf? — As I walk through the city, I often wonder to myself: why are all the people, so surly and so abrupt? (KvK – Wakker met een wijsje)

DeclensionEdit

AnagramsEdit