Last modified on 29 March 2014, at 16:07

overblijfsel

DutchEdit

EtymologyEdit

overblijf (stem of overblijven) +‎ -sel

PronunciationEdit

NounEdit

overblijfsel n (plural overblijfselen or overblijfsels, diminutive overblijfseltje n)

  1. remain, vestige