Home
Random
Watchlist
Uploads
Settings
Log in
uitlenen
Dutch
Etymology
uit
+
lenen
Pronunciation
Audio
Sorry, your browser either has JavaScript disabled or does not have any supported player.
You can
download the clip
or
download a player
to play the clip in your browser.
(
file
)
Verb
uitlenen
to
lend
out
Conjugation
Conjugation of
uitlenen
(weak, separable)
infinitive
uitlenen
main clause
subordinate clause
present tense
past tense
present tense
past tense
1st person
singular
leen uit
leende uit
uitleen
uitleende
2nd person
singular
leent uit
leende uit
uitleent
uitleende
3rd person
singular
leent uit
leende uit
uitleent
uitleende
plural
lenen uit
leenden uit
uitlenen
uitleenden
subjunctive
sing.
1
lene uit
leende uit
uitlene
uitleende
subjunctive
plur.
1
lenen uit
leenden uit
uitlenen
uitleenden
imperative
sing.
leen uit
imperative
plur.
1
leent uit
participles
uitlenend
(
hebben
)
uitgeleend
1)
Archaic
.
Anagrams
lenen uit
↑Jump back a section
Read in another language
This page is available in 2 languages
Malagasy
Nederlands
Last modified on 7 March 2013, at 15:44