uitmaken

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

uitmaken (past singular maakte uit, past participle uitgemaakt)

  1. (intransitive) to matter (only in third-person singular)
    Het maakt niet uit.
    It doesn't matter.

het uitmaken

  1. (intransitive) to break up a relationship
    Zij heeft het uitgemaakt met me.
    She broke up with me.

ConjugationEdit

AnagramsEdit

Last modified on 30 March 2014, at 16:32