Last modified on 12 February 2015, at 15:13

uitroep

DutchEdit

EtymologyEdit

uit- +‎ roep, from uitroepen (verb)

PronunciationEdit

  • (file)
  • Hyphenation: uit‧roep

NounEdit

uitroep m (plural uitroepen, diminutive uitroepje n)

  1. an exclamation

VerbEdit

uitroep

  1. first-person singular present indicative of uitroepen (when using a subclause)

Derived termsEdit

AnagramsEdit