Last modified on 28 September 2014, at 20:56

uitscheiden

DutchEdit

EtymologyEdit

From uit +‎ scheiden.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈœy̯tˌsxɛi̯də(n)/
  • (file)

VerbEdit

uitscheiden (past singular scheidde uit or scheed uit, past participle uitgescheiden or uitgescheden)

  1. to secrete
  2. to cease, stop

ConjugationEdit

SynonymsEdit

AnagramsEdit