Last modified on 30 March 2014, at 16:39

uittrekken

DutchEdit

EtymologyEdit

uit +‎ trekken

PronunciationEdit

VerbEdit

uittrekken (past singular trok uit, past participle uitgetrokken)

  1. to take off (clothes)

ConjugationEdit

AntonymsEdit

SynonymsEdit

AnagramsEdit