vloek

AfrikaansEdit

NounEdit

vloek (plural vloeke)

  1. curse, oath

Derived termsEdit

VerbEdit

vloek (present vloek, present participle vloekende, past participle gevloek)

  1. to curse
  2. to swear

DutchEdit

PronunciationEdit

NounEdit

vloek m (plural vloeken, diminutive vloekje n)

  1. curse

VerbEdit

vloek

  1. first-person singular present indicative of vloeken
  2. imperative of vloeken

AnagramsEdit

Last modified on 30 March 2014, at 19:33