Dutch edit

Etymology edit

Compound of winter (winter) +‎ vacht (pelt, fur).

Pronunciation edit

  • IPA(key): /ˈʋɪn.tərˌvɑxt/
  • (file)
  • Hyphenation: win‧ter‧vacht

Noun edit

wintervacht f (plural wintervachten, diminutive wintervachtje n)

  1. (mammals) winter coat
    De beer had een dikke wintervacht gekregen om zich tegen de kou te beschermen.The bear had developed a thick winter coat to protect itself from the cold.
    Elk jaar verliest de vos zijn wintervacht in de lente.Every year, the fox sheds its winter coat in the spring.
    Het wintervachtje van het konijn was bijzonder zacht.The rabbit's short winter coat was exceptionally soft.

Coordinate terms edit