zwartrijder

DutchEdit

EtymologyEdit

From zwartrijden (to dodge fares) +‎ -er.

PronunciationEdit

NounEdit

zwartrijder m (plural zwartrijders, diminutive zwartrijdertje n, feminine zwartrijdster)

  1. fare dodger
  2. road tax dodger
Last modified on 30 March 2014, at 22:36