aanblijven

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From aan- +‎ blijven.

PronunciationEdit

Hyphenation: aan‧blij‧ven

VerbEdit

aanblijven ‎(past singular bleef aan, past participle aangebleven)

  1. to remain in office

ConjugationEdit

Inflection of aanblijven (strong class 1, separable)
infinitive aanblijven
past singular bleef aan
past participle aangebleven
infinitive aanblijven
gerund aanblijven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular blijf aan bleef aan aanblijf aanbleef
2nd person sing. (jij) blijft aan bleef aan aanblijft aanbleef
2nd person sing. (u) blijft aan bleef aan aanblijft aanbleef
2nd person sing. (gij) blijft aan bleeft aan aanblijft aanbleeft
3rd person singular blijft aan bleef aan aanblijft aanbleef
plural blijven aan bleven aan aanblijven aanbleven
subjunctive sing.1 blijve aan bleve aan aanblijve aanbleve
subjunctive plur.1 blijven aan bleven aan aanblijven aanbleven
imperative sing. blijf aan
imperative plur.1 blijft aan
participles aanblijvend aangebleven
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language