Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

ParticipleEdit

afgehandeld

  1. past participle of afhandelen

DeclensionEdit

Inflection of afgehandeld
uninflected afgehandeld
inflected afgehandelde
comparative
positive
predicative/adverbial afgehandeld
indefinite m./f. sing. afgehandelde
n. sing. afgehandeld
plural afgehandelde
definite afgehandelde
partitive afgehandelds