Contents

DutchEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch bekeren, from Old Dutch bekeren. Equivalent to be- +‎ keren.

PronunciationEdit

VerbEdit

bekeren

  1. (transitive) to convert (e.g. religion)
InflectionEdit
Inflection of bekeren (weak, prefixed)
infinitive bekeren
past singular bekeerde
past participle bekeerd
infinitive bekeren
gerund bekeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bekeer bekeerde
2nd person sing. (jij) bekeert bekeerde
2nd person sing. (u) bekeert bekeerde
2nd person sing. (gij) bekeert bekeerde
3rd person singular bekeert bekeerde
plural bekeren bekeerden
subjunctive sing.1 bekere bekeerde
subjunctive plur.1 bekeren bekeerden
imperative sing. bekeer
imperative plur.1 bekeert
participles bekerend bekeerd
1) Archaic.

Etymology 2Edit

From beker ‎(cup) +‎ -en.

PronunciationEdit

VerbEdit

bekeren

  1. (intransitive) to participate in a cup match
InflectionEdit
Inflection of bekeren (weak)
infinitive bekeren
past singular bekerde
past participle gebekerd
infinitive bekeren
gerund bekeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beker bekerde
2nd person sing. (jij) bekert bekerde
2nd person sing. (u) bekert bekerde
2nd person sing. (gij) bekert bekerde
3rd person singular bekert bekerde
plural bekeren bekerden
subjunctive sing.1 bekere bekerde
subjunctive plur.1 bekeren bekerden
imperative sing. beker
imperative plur.1 bekert
participles bekerend gebekerd
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language