berouwen

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

berouwen ‎(past singular berouwde, past participle berouwd)

  1. to regret

ConjugationEdit

Inflection of berouwen (weak, prefixed)
infinitive berouwen
past singular berouwde
past participle berouwd
infinitive berouwen
gerund berouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular berouw berouwde
2nd person sing. (jij) berouwt berouwde
2nd person sing. (u) berouwt berouwde
2nd person sing. (gij) berouwt berouwde
3rd person singular berouwt berouwde
plural berouwen berouwden
subjunctive sing.1 berouwe berouwde
subjunctive plur.1 berouwen berouwden
imperative sing. berouw
imperative plur.1 berouwt
participles berouwend berouwd
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language