boeien

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

NounEdit

boeien

  1. Plural form of boei

VerbEdit

boeien ‎(past singular boeide, past participle geboeid)

  1. (literally) To tie down, tie up, bind, shackle
  2. (figuratively) To captivate, fascinate
    De geboeide gevangenen luisteren geboeid naar het ontsnappingsplan
    The bound prisoners listen captivated to the escape plan
ConjugationEdit
Inflection of boeien (weak)
infinitive boeien
past singular boeide
past participle geboeid
infinitive boeien
gerund boeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular boei boeide
2nd person sing. (jij) boeit boeide
2nd person sing. (u) boeit boeide
2nd person sing. (gij) boeit boeide
3rd person singular boeit boeide
plural boeien boeiden
subjunctive sing.1 boeie boeide
subjunctive plur.1 boeien boeiden
imperative sing. boei
imperative plur.1 boeit
participles boeiend geboeid
1) Archaic.
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

From Middle Dutch boeyen.

VerbEdit

boeien ‎(past singular boeide, past participle geboeid)

  1. (transitive, nautical) To raise the ship's side with side-boards
  2. (transitive, building) To raise a similar extra on construction
ConjugationEdit
Inflection of boeien (weak)
infinitive boeien
past singular boeide
past participle geboeid
infinitive boeien
gerund boeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular boei boeide
2nd person sing. (jij) boeit boeide
2nd person sing. (u) boeit boeide
2nd person sing. (gij) boeit boeide
3rd person singular boeit boeide
plural boeien boeiden
subjunctive sing.1 boeie boeide
subjunctive plur.1 boeien boeiden
imperative sing. boei
imperative plur.1 boeit
participles boeiend geboeid
1) Archaic.
Derived termsEdit
Read in another language