gebieden

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɣəˈbidə(n)/
  • (file)

Etymology 1Edit

From Middle Dutch gebieden, from Old Dutch gebiodan. Equivalent to ge- +‎ bieden.

VerbEdit

gebieden

  1. (transitive) to command, order
  2. (intransitive) to be in command
InflectionEdit
Inflection of gebieden (strong class 2, prefixed)
infinitive gebieden
past singular gebood
past participle geboden
infinitive gebieden
gerund gebieden n
present tense past tense
1st person singular gebied gebood
2nd person sing. (jij) gebiedt gebood
2nd person sing. (u) gebiedt gebood
2nd person sing. (gij) gebiedt geboodt
3rd person singular gebiedt gebood
plural gebieden geboden
subjunctive sing.1 gebiede gebode
subjunctive plur.1 gebieden geboden
imperative sing. gebied
imperative plur.1 gebiedt
participles gebiedend geboden
1) Archaic.
SynonymsEdit

(order):

(be in command):

AntonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit

Etymology 2Edit

See the etymology of the main entry.

NounEdit

gebieden

  1. Plural form of gebied

AnagramsEdit