gelijkrichten

DutchEdit

EtymologyEdit

From gelijk ‎(equal) +‎ richten ‎(to aim, to direct).

PronunciationEdit

VerbEdit

gelijkrichten ‎(past singular richtte gelijk, past participle gelijkgericht)

  1. (electricity) to rectify

ConjugationEdit

Inflection of gelijkrichten (weak, separable)
infinitive gelijkrichten
past singular richtte gelijk
past participle gelijkgericht
infinitive gelijkrichten
gerund gelijkrichten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular richt gelijk richtte gelijk gelijkricht gelijkrichtte
2nd person sing. (jij) richt gelijk richtte gelijk gelijkricht gelijkrichtte
2nd person sing. (u) richt gelijk richtte gelijk gelijkricht gelijkrichtte
2nd person sing. (gij) richt gelijk richtte gelijk gelijkricht gelijkrichtte
3rd person singular richt gelijk richtte gelijk gelijkricht gelijkrichtte
plural richten gelijk richtten gelijk gelijkrichten gelijkrichtten
subjunctive sing.1 richte gelijk richtte gelijk gelijkrichte gelijkrichtte
subjunctive plur.1 richten gelijk richtten gelijk gelijkrichten gelijkrichtten
imperative sing. richt gelijk
imperative plur.1 richt gelijk
participles gelijkrichtend gelijkgericht
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language