geslachtloos

DutchEdit

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

From geslacht +‎ -loos.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɣəˈslɑxtˌloːs/
  • (file)
  • Hyphenation: ge‧slacht‧loos

AdjectiveEdit

geslachtloos (not comparable)

  1. asexual, sexless (with biological sex)
  2. genderless

InflectionEdit

Inflection of geslachtloos
uninflected geslachtloos
inflected -
comparative -er
positive comparative superlative
predicative/adverbial geslachtloos -er het geslachtloost
het geslachtlooste
indefinite m./f. sing. - -ere geslachtlooste
n. sing. geslachtloos -er geslachtlooste
plural - -ere geslachtlooste
definite - -ere geslachtlooste
partitive geslachtloos -ers

Derived termsEdit