Dutch

edit

Etymology

edit

Past participle of trouwen.

Pronunciation

edit
  • Audio:(file)
  • IPA(key): /ɣəˈtrɑu̯t/
  • Hyphenation: ge‧trouwd
  • Rhymes: -ɑu̯t

Adjective

edit

getrouwd (not comparable)

  1. married
    Synonym: gehuwd
    Coordinate term: alleenstaand

Inflection

edit
Declension of getrouwd
uninflected getrouwd
inflected getrouwde
comparative
positive
predicative/adverbial getrouwd
indefinite m./f. sing. getrouwde
n. sing. getrouwd
plural getrouwde
definite getrouwde
partitive getrouwds

Descendants

edit
  • Afrikaans: getroud

Participle

edit

getrouwd

  1. past participle of trouwen

Inflection

edit
Declension of getrouwd
uninflected getrouwd
inflected getrouwde
positive
predicative/adverbial getrouwd
indefinite m./f. sing. getrouwde
n. sing. getrouwd
plural getrouwde
definite getrouwde
partitive getrouwds