glaceren

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From French glacer ‎(to ice)

PronunciationEdit

VerbEdit

glaceren ‎(past singular glaceerde, past participle geglaceerd)

  1. to frost, cover with icing

ConjugationEdit

Inflection of glaceren (weak)
infinitive glaceren
past singular glaceerde
past participle geglaceerd
infinitive glaceren
gerund glaceren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular glaceer glaceerde
2nd person sing. (jij) glaceert glaceerde
2nd person sing. (u) glaceert glaceerde
2nd person sing. (gij) glaceert glaceerde
3rd person singular glaceert glaceerde
plural glaceren glaceerden
subjunctive sing.1 glacere glaceerde
subjunctive plur.1 glaceren glaceerden
imperative sing. glaceer
imperative plur.1 glaceert
participles glacerend geglaceerd
1) Archaic.
Read in another language