Dutch

edit

Etymology

edit

From her- +‎ trouwen.

Pronunciation

edit
  • IPA(key): /ˌɦɛrˈtrɑu̯.ə(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: her‧trou‧wen
  • Rhymes: -ɑu̯ən

Verb

edit

hertrouwen

  1. (transitive, intransitive) to remarry (to marry after the end of a previous marriage)

Inflection

edit
Conjugation of hertrouwen (weak, prefixed)
infinitive hertrouwen
past singular hertrouwde
past participle hertrouwd
infinitive hertrouwen
gerund hertrouwen n
present tense past tense
1st person singular hertrouw hertrouwde
2nd person sing. (jij) hertrouwt hertrouwde
2nd person sing. (u) hertrouwt hertrouwde
2nd person sing. (gij) hertrouwt hertrouwde
3rd person singular hertrouwt hertrouwde
plural hertrouwen hertrouwden
subjunctive sing.1 hertrouwe hertrouwde
subjunctive plur.1 hertrouwen hertrouwden
imperative sing. hertrouw
imperative plur.1 hertrouwt
participles hertrouwend hertrouwd
1) Archaic.

Derived terms

edit