inslaan

DutchEdit

EtymologyEdit

From in +‎ slaan

PronunciationEdit

VerbEdit

inslaan ‎(past singular sloeg in, past participle ingeslagen)

  1. to shatter, to break with force
  2. to turn into, to follow (e.g. a different path or a corner)
  3. to make provision for (e.g. a feast)
  4. to strike with force (e.g. lightning)

ConjugationEdit

Inflection of inslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive inslaan
past singular sloeg in
past participle ingeslagen
infinitive inslaan
gerund inslaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla in sloeg in insla insloeg
2nd person sing. (jij) slaat in sloeg in inslaat insloeg
2nd person sing. (u) slaat in sloeg in inslaat insloeg
2nd person sing. (gij) slaat in sloegt in inslaat insloegt
3rd person singular slaat in sloeg in inslaat insloeg
plural slaan in sloegen in inslaan insloegen
subjunctive sing.1 sla in sloege in insla insloege
subjunctive plur.1 slaan in sloegen in inslaan insloegen
imperative sing. sla in
imperative plur.1 slaat in
participles inslaand ingeslagen
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language