magisch

DutchEdit

EtymologyEdit

From magie (magic) +‎ -isch (-al).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈmaːɣis/
  • (file)
  • Hyphenation: ma‧gisch
  • Rhymes: -aːɣis

AdjectiveEdit

magisch (comparative magischer, superlative meest magisch or magischt)

  1. magical, controlled or determined by supernatural magic (not illusionism)
    Deze redenering is een voorbeeld van het magisch denken dat in deze cultuur alomtegenwoordig is
    This reasoning is an example of the magic thinking that pervades this culture.
  2. (figurative) enchanting, spell-bound etc.
    Zijn fluitspel had een magische uitwerking op het publiek.
    His flute playing worked like magic on his audience.

InflectionEdit

Inflection of magisch
uninflected magisch
inflected magische
comparative magischer
positive comparative superlative
predicative/adverbial magisch magischer het magischt
het magischte
indefinite m./f. sing. magische magischere magischte
n. sing. magisch magischer magischte
plural magische magischere magischte
definite magische magischere magischte
partitive magisch magischers

DescendantsEdit

  • Afrikaans: magies
  • Indonesian: magis
  • West Frisian: magysk

GermanEdit

EtymologyEdit

From Magie (magic) +‎ -isch (-ish).

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

magisch (comparative magischer, superlative am magischsten)

  1. magical

DeclensionEdit

Further readingEdit