Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From nauw +‎ keur +‎ -ig.

PronunciationEdit

  • (file)

AdjectiveEdit

nauwkeurig (comparative nauwkeuriger, superlative nauwkeurigst)

  1. precise

InflectionEdit

Inflection of nauwkeurig
uninflected nauwkeurig
inflected nauwkeurige
comparative nauwkeuriger
positive comparative superlative
predicative/adverbial nauwkeurig nauwkeuriger het nauwkeurigst
het nauwkeurigste
indefinite m./f. sing. nauwkeurige nauwkeurigere nauwkeurigste
n. sing. nauwkeurig nauwkeuriger nauwkeurigste
plural nauwkeurige nauwkeurigere nauwkeurigste
definite nauwkeurige nauwkeurigere nauwkeurigste
partitive nauwkeurigs nauwkeurigers