Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (un-, de-) +‎ vriend (friend) +‎ -en, calque of English unfriend.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈfrin.də(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ont‧vrien‧den
  • Rhymes: -indən

VerbEdit

ontvrienden

  1. (transitive) to unfriend (to remove as a friend, e.g. from a friend list, on social media)

InflectionEdit

Inflection of ontvrienden (weak, prefixed)
infinitive ontvrienden
past singular ontvriendde
past participle ontvriend
infinitive ontvrienden
gerund ontvrienden n
present tense past tense
1st person singular ontvriend ontvriendde
2nd person sing. (jij) ontvriendt ontvriendde
2nd person sing. (u) ontvriendt ontvriendde
2nd person sing. (gij) ontvriendt ontvriendde
3rd person singular ontvriendt ontvriendde
plural ontvrienden ontvriendden
subjunctive sing.1 ontvriende ontvriendde
subjunctive plur.1 ontvrienden ontvriendden
imperative sing. ontvriend
imperative plur.1 ontvriendt
participles ontvriendend ontvriend
1) Archaic.

AntonymsEdit