opmerkelijk

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

opmerken +‎ -lijk

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

opmerkelijk ‎(comparative opmerkelijker, superlative opmerkelijkst)

  1. remarkable

DeclensionEdit

Inflection of opmerkelijk
uninflected opmerkelijk
inflected opmerkelijke
comparative opmerkelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial opmerkelijk opmerkelijker het opmerkelijkst
het opmerkelijkste
indefinite m./f. sing. opmerkelijke opmerkelijkere opmerkelijkste
n. sing. opmerkelijk opmerkelijker opmerkelijkste
plural opmerkelijke opmerkelijkere opmerkelijkste
definite opmerkelijke opmerkelijkere opmerkelijkste
partitive opmerkelijks opmerkelijkers

AdverbEdit

opmerkelijk

  1. remarkably
Read in another language