tegenhouden

DutchEdit

EtymologyEdit

tegen +‎ houden

PronunciationEdit

  • (file)
  • Hyphenation: te‧gen‧hou‧den

VerbEdit

tegenhouden

  1. to stop, to inhibit
  2. to hold back, to keep at bay
  3. to arrest

InflectionEdit

Inflection of tegenhouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive tegenhouden
past singular hield tegen
past participle tegengehouden
infinitive tegenhouden
gerund tegenhouden n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou tegen, houd tegen hield tegen tegenhou, tegenhoud tegenhield
2nd person sing. (jij) houdt tegen hield tegen tegenhoudt tegenhield
2nd person sing. (u) houdt tegen hield tegen tegenhoudt tegenhield
2nd person sing. (gij) houdt tegen hieldt tegen tegenhoudt tegenhieldt
3rd person singular houdt tegen hield tegen tegenhoudt tegenhield
plural houden tegen hielden tegen tegenhouden tegenhielden
subjunctive sing.1 houde tegen hielde tegen tegenhoude tegenhielde
subjunctive plur.1 houden tegen hielden tegen tegenhouden tegenhielden
imperative sing. hou tegen, houd tegen
imperative plur.1 houdt tegen
participles tegenhoudend tegengehouden
1) Archaic.

DescendantsEdit

  • Skepi Creole Dutch: outaeg, outen

AnagramsEdit