vertalen

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch vertalen (to express, to respond). Equivalent to ver- +‎ taal +‎ -en.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈtaː.lə(n)/, /vɛrˈtaː.lə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ver‧ta‧len
  • Rhymes: -aːlən

VerbEdit

vertalen

  1. (transitive, intransitive) to translate

InflectionEdit

Inflection of vertalen (weak, prefixed)
infinitive vertalen
past singular vertaalde
past participle vertaald
infinitive vertalen
gerund vertalen n
present tense past tense
1st person singular vertaal vertaalde
2nd person sing. (jij) vertaalt vertaalde
2nd person sing. (u) vertaalt vertaalde
2nd person sing. (gij) vertaalt vertaalde
3rd person singular vertaalt vertaalde
plural vertalen vertaalden
subjunctive sing.1 vertale vertaalde
subjunctive plur.1 vertalen vertaalden
imperative sing. vertaal
imperative plur.1 vertaalt
participles vertalend vertaald
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: vertaal

AnagramsEdit