Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch verviln(to become or seem to be too much), equivalent to ver- + veel.

VerbEdit

vervelen

  1. (transitive) to annoy, to pester
  2. (transitive) to inspire boredom in somebody, to disinterest
  3. (reflexive) to be bored

InflectionEdit

Inflection of vervelen (weak, prefixed)
infinitive vervelen
past singular verveelde
past participle verveeld
infinitive vervelen
gerund vervelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verveel verveelde
2nd person sing. (jij) verveelt verveelde
2nd person sing. (u) verveelt verveelde
2nd person sing. (gij) verveelt verveelde
3rd person singular verveelt verveelde
plural vervelen verveelden
subjunctive sing.1 vervele verveelde
subjunctive plur.1 vervelen verveelden
imperative sing. verveel
imperative plur.1 verveelt
participles vervelend verveeld
1) Archaic.

Derived termsEdit