Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch versāken, from Old Dutch farsacan, from Proto-Germanic *frasakaną (to forsake, renounce). Cognate with English forsake, Swedish försaka, Danish forsage.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈzaː.kə(n)/, /vɛrˈzaː.kə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ver‧za‧ken
  • Rhymes: -aːkən

VerbEdit

verzaken

  1. (transitive) to renounce, to abandon
  2. (transitive) to neglect, to abandon
  3. (transitive) to betray, to abandon

InflectionEdit

Inflection of verzaken (weak, prefixed)
infinitive verzaken
past singular verzaakte
past participle verzaakt
infinitive verzaken
gerund verzaken n
present tense past tense
1st person singular verzaak verzaakte
2nd person sing. (jij) verzaakt verzaakte
2nd person sing. (u) verzaakt verzaakte
2nd person sing. (gij) verzaakt verzaakte
3rd person singular verzaakt verzaakte
plural verzaken verzaakten
subjunctive sing.1 verzake verzaakte
subjunctive plur.1 verzaken verzaakten
imperative sing. verzaak
imperative plur.1 verzaakt
participles verzakend verzaakt
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: versaak