voeden

DutchEdit

EtymologyEdit

From Old Dutch *fuoden, from Proto-Germanic *fōdijaną, ultimately from Proto-Indo-European *peh₂-. Compare English feed, Danish føde, Swedish föda.

PronunciationEdit

VerbEdit

voeden ‎(past singular voedde, past participle gevoed)

  1. (transitive) To feed

ConjugationEdit

Inflection of voeden (weak)
infinitive voeden
past singular voedde
past participle gevoed
infinitive voeden
gerund voeden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular voed voedde
2nd person sing. (jij) voedt voedde
2nd person sing. (u) voedt voedde
2nd person sing. (gij) voedt voedde
3rd person singular voedt voedde
plural voeden voedden
subjunctive sing.1 voede voedde
subjunctive plur.1 voeden voedden
imperative sing. voed
imperative plur.1 voedt
participles voedend gevoed
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language