voorzetten

See also: voortzetten

DutchEdit

EtymologyEdit

From voor (before, in front) +‎ zetten (to set).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈvoːrˌzɛ.tə(n)/
  • (file)

VerbEdit

voorzetten

  1. to place in front
  2. (sports) to assist
  3. (soccer) to cross the ball

InflectionEdit

Inflection of voorzetten (weak, separable)
infinitive voorzetten
past singular zette voor
past participle voorgezet
infinitive voorzetten
gerund voorzetten n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet voor zette voor voorzet voorzette
2nd person sing. (jij) zet voor zette voor voorzet voorzette
2nd person sing. (u) zet voor zette voor voorzet voorzette
2nd person sing. (gij) zet voor zette voor voorzet voorzette
3rd person singular zet voor zette voor voorzet voorzette
plural zetten voor zetten voor voorzetten voorzetten
subjunctive sing.1 zette voor zette voor voorzette voorzette
subjunctive plur.1 zetten voor zetten voor voorzetten voorzetten
imperative sing. zet voor
imperative plur.1 zet voor
participles voorzettend voorgezet
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Negerhollands: set voor

AnagramsEdit