Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch vragen, from Old Dutch fragon, derived from Proto-Germanic *fregnaną.

VerbEdit

vragen

  1. (transitive) to ask a question; to request
    Mag ik u iets vragen?
    May I ask you something?
  2. (transitive) to demand, exact
  3. (transitive) to require, need
InflectionEdit
Inflection of vragen (strong class 6 with weak past participle)
infinitive vragen
past singular vroeg
past participle gevraagd
infinitive vragen
gerund vragen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vraag vroeg
2nd person sing. (jij) vraagt vroeg
2nd person sing. (u) vraagt vroeg
2nd person sing. (gij) vraagt vroegt
3rd person singular vraagt vroeg
plural vragen vroegen
subjunctive sing.1 vrage vroege
subjunctive plur.1 vragen vroegen
imperative sing. vraag
imperative plur.1 vraagt
participles vragend gevraagd
1) Archaic.
Inflection of vragen (weak)
infinitive vragen
past singular vraagde
past participle gevraagd
infinitive vragen
gerund vragen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vraag vraagde
2nd person sing. (jij) vraagt vraagde
2nd person sing. (u) vraagt vraagde
2nd person sing. (gij) vraagt vraagde
3rd person singular vraagt vraagde
plural vragen vraagden
subjunctive sing.1 vrage vraagde
subjunctive plur.1 vragen vraagden
imperative sing. vraag
imperative plur.1 vraagt
participles vragend gevraagd
1) Archaic.
SynonymsEdit
Derived termsEdit
Related termsEdit

Etymology 2Edit

Non-lemma forms.

NounEdit

vragen

  1. Plural form of vraag

AnagramsEdit