Dutch edit

Etymology edit

From stenig +‎ -en.

Pronunciation edit

  • Audio:(file)

Verb edit

stenigen

  1. (transitive) to stone (execute by throwing stones at someone)

Inflection edit

Conjugation of stenigen (weak)
infinitive stenigen
past singular stenigde
past participle gestenigd
infinitive stenigen
gerund stenigen n
present tense past tense
1st person singular stenig stenigde
2nd person sing. (jij) stenigt stenigde
2nd person sing. (u) stenigt stenigde
2nd person sing. (gij) stenigt stenigde
3rd person singular stenigt stenigde
plural stenigen stenigden
subjunctive sing.1 stenige stenigde
subjunctive plur.1 stenigen stenigden
imperative sing. stenig
imperative plur.1 stenigt
participles stenigend gestenigd
1) Archaic.

Derived terms edit

Further reading edit