Last modified on 21 September 2014, at 21:45

onbruikbaarheid

DutchEdit

EtymologyEdit

onbruikbaar +‎ -heid, on- +‎ bruikbaarheid

PronunciationEdit

  • Hyphenation: on‧bruik‧baar‧heid

NounEdit

onbruikbaarheid f (plural onbruikbaarheden)

  1. uselessness