Dutch edit

Etymology edit

From on- +‎ verschrokken, past participle of verschrikken (to scare, terrify).

Pronunciation edit

  • (file)

Adjective edit

onverschrokken (comparative onverschrokkener, superlative onverschrokkenst)

  1. unwavering, stout-hearted
    Synonym: onversaagd

Inflection edit

Inflection of onverschrokken
uninflected onverschrokken
inflected onverschrokken
comparative onverschrokkener
positive comparative superlative
predicative/adverbial onverschrokken onverschrokkener het onverschrokkenst
het onverschrokkenste
indefinite m./f. sing. onverschrokken onverschrokkener onverschrokkenste
n. sing. onverschrokken onverschrokkener onverschrokkenste
plural onverschrokken onverschrokkener onverschrokkenste
definite onverschrokken onverschrokkener onverschrokkenste
partitive onverschrokkens onverschrokkeners

Related terms edit