Last modified on 25 July 2014, at 23:15

pijnboom

DutchEdit

Dutch Wikipedia has an article on:

Wikipedia nl

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

Germanic, pijn +‎ boom: from Middle Dutch, itself from pijn (from Latin pinus 'pine', assimilated by popular etymology with the more common Germanic homophone pijn 'pain') + boom 'tree'

PronunciationEdit

  • Hyphenation: pijn‧boom

NounEdit

pijnboom m (plural pijnbomen, diminutive pijnboompje n)

  1. A pine, conifere of the genus Pinus
    1. mainly the species Pinus silvestris
    2. other species include firs and larch
    De pijnbomen in de tuin van het weeshuis deden hun schijnbare Nederlandse etymologie eer aan: telkens als een van de jongens stout was geweest, moest hij een forse tak van een pijnboom snijden en over de omgevallen pijnboom buigen met afgestroopte broek voor fikse billenkoek.
    The pines in the orphanage's garden honored their apparent Dutch etymology: each time one of the boys had been mischievous, he had to cut a sturdy branch from a pine and bend over the fallen pine, trousers down, for a firm spanking.

SynonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit