AlbanianEdit

EtymologyEdit

From Proto-Indo-European *wĺ̥kʷos.

NounEdit

ulk m

  1. (archaic, dialectal) wolf

Usage notesEdit

Still used in conservative Tosk dialects.

SynonymsEdit


DanishEdit

EtymologyEdit

From Old Danish ulk, from a root meaning "rotten."

PronunciationEdit

NounEdit

ulk c (singular definite ulken, plural indefinite ulke)

  1. sculpin (Cottidae)

InflectionEdit

Further readingEdit


DutchEdit

EtymologyEdit

Related to Low German ilk, German iltis, of uncertain origin. Possibly from el- (reddish, brownish) + a word for "stench" found in wezel (weasel); or, possibly from ellende (strangeness, misery) + the suffix -iso, -wiso, meaning "strange being." Also compare Old English el- (strange, else, other).

NounEdit

ulk m (plural ulken, diminutive ulkje n)

  1. (Northern Netherlands, dialectal) European polecat, Mustela putorius
    • 1948, Herman Lambertus Bezoen, Taal en volk van Twente, 16.
      Maar de Kampenaars spreken niet meer van ulk, en bunsink zeggen ze ook niet, nee, ze duiden het beest met een kruisingsproduct van die beide namen aan: een bulsik!
    • 1972, G. J. van Roekel, De Gelderse Achterhoek in de negentiende eeuw: Heren en boeren, ambachtslieden en dagloners, stropers en huttemannen, 107.
      Jagen op deze roofdieren viel niet onder stroperij, want ulken waren zelf stropers, die het vooral gemunt hadden op de kippen van de keuterboertjes.
    • 2009, Maarten t' Hart, Het psalmenoproer.
      Vergeleken daarmee was de otter, al net zo door iedereen gehaat als zijn neefje de ulk, bepaald minder opvallend, want egaler van kleur, en met een minder sprekende snuit.
    • 2012, A. L. Snijders, Ik leef aan de rand van de wereld.
      Hier nam het lot de gedaante van een ulk aan.

SynonymsEdit

Further readingEdit