Open main menu

boevenklok

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

Compound of boef (crook, criminal, thug) +‎ -en- +‎ klok (bell, clock).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈbu.və(n)ˌklɔk/
  • Hyphenation: boe‧ven‧klok

NounEdit

boevenklok f (plural boevenklokken, diminutive boevenklokje n)

  1. (historical) curfew bell (indicating when establishments had to close and when it was illegal to be out on the street without a light, also used in similes in relation to loud voices)
    • 1756, Vierde, en waarschynlyk laetste brief van den koopman te R. aan een zyner vrinden te A., pages 3 & 4.
      Hy leere eerſt zelf verſtaen wat hy dryft, en wat beters dan ſchelden: anders heeft hy op zyn meeſt te wagten, dat ik hem een van onze Kraenkinders toeſtuure, die een ſtem als een boevenklok heeft, en ſchelden kan als een appelwyf, en die tegen hem ſchreeuwen zal, dat het dreunt.
      (please add an English translation of this quote)