DutchEdit

EtymologyEdit

From overgroot- +‎ moeder.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈoːvərɣroːtˌmudər/
  • (file)
  • Hyphenation: over‧groot‧moe‧der

NounEdit

overgrootmoeder f (plural overgrootmoeders, diminutive overgrootmoedertje n, masculine overgrootvader)

  1. great-grandmother

Related termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: oorgrootmoeder