• Home
  • Random
  • Watchlist
  • Uploads
  • Settings
  • Log in

aangorden

Dutch

Verb

aangorden

  1. (reflexive) to bestir oneself

Conjugation

Conjugation of aangorden (weak, separable)
infinitive aangorden
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular gord aan gordde aan aangord aangordde
2nd person singular gordt aan gordde aan aangordt aangordde
3rd person singular gordt aan gordde aan aangordt aangordde
plural gorden aan gordden aan aangorden aangordden
subjunctive sing.1 gorde aan gordde aan aangorde aangordde
subjunctive plur.1 gorden aan gordden aan aangorden aangordden
imperative sing. gord aan
imperative plur.1 gordt aan
participles aangordend (hebben) aangegord
1)Archaic.
↑Jump back a section

Read in another language

This page is available in 3 languages

  • Français
  • Nederlands
  • 中文
Last modified on 7 March 2013, at 14:44
  • Wiktionary ™

    • Mobile
    • Desktop
  • Text is available under CC BY-SA 3.0; additional terms may apply.
  • Terms of Use
  • Privacy